Franz Schubert (1797-1828) – Pianotrio nr. 1 in Bes, opus 99 posth. D 898

Veel van Schuberts kamermuziek werd geschreven voor huiselijk gebruik, hetzij thuis bij zijn familie of in gezelschap van vrienden. Wanneer zijn 40-jarige vriend Josef von Spaun begin 1828 aankondigt zijn vrijgezellenbestaan op te geven, stelt Schubert voor een muzikale avond ter gelegenheid van de verloving te organiseren. “Ik breng Bocklet, Schuppanzigh en Linke mee.” En zo geschiedde. Voornoemde muzikanten speelden een trio en daarna nog veel meer muziek. De vrienden bleven tot na middernacht vrolijk bij elkaar. Flink aangeschoten boemelde het stel verder in café Bogner. Het is bijna zeker dat het meer dan een half uur durende pianotrio in Bes die gedenkwaardige laatste Schubertiade werd gespeeld. Pas acht jaar na Schuberts dood werd het stuk bij Diabelli gepubliceerd als opus 99.

“Leidend, weiblich, lyrisch”, zo karakteriseerde Robert Schumann in zijn ‘Neuen Zeitschrift für Musik’ de vloeiende melodieënpracht van het blijmoedige Pianotrio nr. 1. Het eerste deel, Allegro moderato, heeft twee thema’s. Het eerste, snelle thema zit vol zwierige triolen. Het materiaal wordt uitgebreid bewerkt. Pas na 60 maten wordt het gracieuze neventhema door de cello geïntroduceerd. In de doorwerking worden de beide melodieën kunstig dooreen gevlochten. Het langzame tweede deel, Andante un poco mosso, is een wonder van modulatietechniek. De muziek vertrekt in een dromerig As-groot. Plotseling geeft Schubert een draai aan het harmonische stuur en bevinden zich de noten in de ver verwijderde toonreeks E-groot. Slechts een kwartmaat heeft het genie nodig om daar te komen, en het effect is hemels. En zo varieert Schubert in deze fijnzinnige mijmering voortdurend de toonsoorten. Op het schelmse Scherzo (Allegro) met een zangerig trio op een walsachtig ritmetje volgt tot slot een dansant Rondo (Allegro vivace). Verrukkelijke muziek!

Bohuslav Martinů (1890-1959) – Pianotrio nr. 1 ‘Cinq pièces brèves’

In de herfst van 1923 vertrok de Tsjechische componist Bohuslav Martinů vanuit Praag naar Parijs om daar te gaan studeren bij de Fransman Albert Roussel (1869-1937). In zijn Franse periode (tussen 1923 en 1940) rijpte geleidelijk een geheel eigen stijl uit de mixture van Boheemse volksmuziek, Frans impressionisme, Duitse Spätromantik en jazzy invloeden. Na de inval van de nazi’s vluchtte de componist via Portugal naar Amerika. Daar heeft hij zich nooit echt op zijn gemak gevoeld. Eigenlijk had de rusteloze asielzoeker, het voorbeeld van zijn landgenoot Dvořák volgend, het liefst terug willen keren naar zijn geliefde vaderland. Echter, het communistische regime aldaar lokte hem niet en zo is het er nooit van gekomen. Na veel omzwervingen is Martinů uiteindelijk in Zwitserland gestorven. Zijn stoffelijk overschot is vandaar overgebracht naar zijn Tsjechische geboortedorp Polička. Martinů’s muziek kenmerkt zich door toepassing van gedegen contrapunt, polytonale harmonieën, kruidige klanken en energieke ritmes. Ondanks de dikwijls dissonante timbres blijven zijn vaak barok aandoende werken stevig verankerd in het tonale bestel, en zijn daardoor, het modernistische coloriet ten spijt, redelijk toegankelijk.

Martinů’s eerste van de drie pianotrio’s die hij componeerde, ontstond in 1930, dus in zijn Franse periode. Het werk, bijgenaamd ‘Cinq pièces brèves’, is geen trio in de formele zin van het woord. De delen, vier korte Allegro’s en een wat langer Adagio, vormen geen geïntegreerd geheel. De compositie is eerder een suite van vijf los van elkaar staande bewegingen. De muziek is gespierd en in de snelle delen ritmisch behoorlijk weerbarstig. Bij het beluisteren van het Allegro moderato zal de luisteraar dadelijk aan het derde Brandenburgse concert van J.S. Bach denken. Je ziet die koddige dikkertjes van Groosland bij wijze van spreken zo voor je in hun blootje dansen. Maar wat een vreemde melodische wendingen neemt de muziek. Het lijkt Bach, even misschien, vooral in de pianopartij, maar het is het niet. Het Adagio is zoekerig, klinkt als een ernstige overpeinzing, waarbij ieder van de stemmen het zijne/hare – solistisch of in samenspel – inbrengt. Deel drie, Allegro, is typisch zo’n hakkerig, syncopisch stukje waar Martinů het patent op had. De cello opent het sprankelende vierde deeltje, Allegro moderato. Lekker jazzy. Tot slot wordt in de attractieve finale, Allegro con brio, contrapuntische neobarok gecombineerd met ragtime-achtige elementen.

Johannes Brahms (1833-1897) – Pianotrio nr. 3 in c, opus 101

Het derde (en laatste) pianotrio in c componeerde Johannes Brahms in de zomer van 1886. De componist verbleef in Thun, dicht bij Bern, in een ruime villa met uitzicht op de bergen. Hij moet het er erg naar zijn zin hebben gehad, want de periode was uiterst vruchtbaar. Hij componeerde behalve het pianotrio diverse andere belangrijke kamermuziekstukken, onder meer de cellosonate in F, opus 99 en de vioolsonate in A, opus 100. ’S ochtends, na een paar koppen koffie verkeerde de arbeidzame componist in de juiste stemming, liep al ijsberend door de suites over zijn composities na te denken en pende met gezwinde spoed de invallen op. Een blijmoedige nonchalance schijnt zich van hem meester gemaakt te hebben, want hij verzoende zich met betrekkelijk simpele structuren en borduurde ten dele voort op bestaand materiaal.

Brahms construeerde als regel hechte muzikale bouwsels. Opus 101 is daar geen uitzondering op. Alles wat zich in het derde pianotrio afspeelt, is afgeleid van de robuuste drieklank die de pianist dadelijk bij het begin in de linkerhand te berde brengt. Het resolute hoofdthema van het openingsdeel, Allegro energico, is vol energie, parmantigheid, misschien zelfs een beetje drammerig. Zie mij, de mannetjesputter! Het zangerige neventhema (cantando), ingeleid door de cello, zorgt voor een veel bescheidener overkomend contrast. De strijkers spelen in het tweede deel, Presto non assai, ‘con sordino’ (dus met demper). De ietwat geheimzinnige beweging klinkt daardoor wat introvert. Het langzame deel, Andante grazioso, deint lieflijk en teder. Het zou een wiegenlied kunnen zijn. Slaap maar zacht lieve kleine. In de finale is gemakkelijk het basismotief van de drie noten te herkennen. Het hoofdthema is ‘staccato’, terwijl het neventhema lyrisch van karakter is.

Clara Schumann schreef in haar dagboek: “Den größten Genuß hatte ich am 20. Juni 1887, als ich endlich mal Kräfte genug fühlte, das wunderbar ergreifende Trio in c-Moll zu probieren. Welch ein Werk ist das! Genial durch und durch in der Leidenschaft, der Kraft der Gedanken, der Anmut, der Poesie.”

Tot op de dag van vandaag is dit pianotrio een van de meest geliefde composities van Johannes Brahms.

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

adminProgrammatoelichting 3 oktober 2010